Het altaar van witte natuursteen met marmeren zuiltjes, een geschenk van de heer en mevrouw E. Mathot (wisselagent te Brussel en eigenaar van een villa in het Zoute), werd ontworpen door Joseph Viérin en uitgevoerd door Jules Fonteyne. Aan de voorzijde zien we vijf bronzen medaillonvormige plaketten met in het midden het Christusmonogram en aan weerszijden hiervan twee van de vier evangelisten (zelfde voorstelling in roosvenster achteraan).
De prijs bedroeg 15.398,- brf - bedrag dat nog moest verhoogd worden met de erelonen van Viérin en Fonteyne (1.539,80 brf). Totaal factuur : 16.937,80 bfr.
Het altaar werd in het kader van de nieuwe liturgie diverse keren aangepast :
1948 - Noch de Compagnie le Zoute (verwijzing naar de overeenkomst dd ) noch de architect J. Viérin konden aan deze wijziging hun goedkeuring geven. Aangetekende schrijven dd 01/09/1948 van Maurice Lippens aan de voorzitter van de vzw - : "...je constate qu'en contravention de nos accords on s'est permis de transformer le maître autel, en modifiant coplètement son caractère et sa valeur artistique...
Je me vois obligé de vous demander de faire sans retard le nécessaire pour remettre les choses en état.
Nous aimons trop notre chapelle pour ne pas vouloir qu'elle garde le caractère que lui a donne l'intelligente et constante attention des Dominicains, et nous ne doutons pas que vous voudrez bien unir vos efforts aux nôtres pour que la chapelle du Zoute garde l'affection, l'admiration et le respect que tous ceux qui la visitent et la fréquentent lui ont voués.
13 september 1948 antwoordt de Provincialat des Dominicains : "... Le trône d'expostion placé au-dessus du tabernacle est prescrit par les rubriques liturgiques. Il est vrai que l'approbation de la Cie le Zoute n'a pas été demandée au préalable. Dans l'avenir on aura soin de ne plus commettre cet oubli. Il est vrai aussi que la valeur artistique de ce trôle peut être discutée, mais sa nécessité est prescrite.
21/09/1948 - Maurice Lippens aan pater Gobert - “Depuis vingt ans que l’église du Zoute existe, il n’ y a jamais eu de trône d’exposition au dessus du tabernacle. La décoration du maître-autel en pur style roman avait été acceptée par les Dominicains au moment de la remise de la chapelle. Il y a donc lieu de remettre le maître-autel dans son état primitif. Toutefois, si les rites d’une nouvelle liturgie prescrivent pareil ornement, nous nous inclinerons évidemment, mais nous devons en approuver le style et sommes au regret de constater que le trône actuel n’a aucune valeur artistique. Vous voudrez le faire remplacer éventuellement par un trône dont vous nous aurez préalablement soumis le dessin.” – brief dd 21/09/1948 van Maurice Lippens aan pater Gobert.
Na een onderhoud op 12 oktober 1948 tussen de Compagnie le Zoute en pater Gobert, werd besloten :”Pour ce qui concerne le trône , vous m’avez dit que cet ornement installé actuellement sur le maître-autel dont il abîme complètement la beauté et la ligne – ne doit être liturgiquement employé que pour le salut, une demi-heure par jour dans l’après-midi ou vers la soirée et que, étant mobile et non fixe il est très possible de ne le placer qu’aux heures où sa présence est prescrite. Je crois que cette solution serait la plus économique et vous serais reconnaissant de donner des instructions dans ce sense.” – brief dd 20/10/1948 Maurice Lippens aan pater Gobert.
Viérin bevestigde op 30 november 1948 in een brief aan graaf Lippens :”L’abside avec ses proportions et ses 5 fenêtres formaient avec le maître-autel un ensemble qui, actuellement est abimé. En effet l’autel avec le tabernacle étaient tenus assez bas afin de ne pas cacher les vitraux des fenêtres qui formaient ainsi retable et immédiatement en rapport avec le tabernacle. Ce dernier avait une toiture très basse surmonté d’un crucifix conformément aux règles liturgiques.. On a enlevé la petite toiture et le crucifix et remplacé par un genre de trône pour les expositions sollenelles du Saint Sacrément les jours de grandes fêtes. Mais le trône ne peut pas être fixé et doit être enlevé après la cérémonie.”
In 1964 werd een altaartafel geplaatst voor het hoofdaltaar.
In 1970 werd deze altaartafel verwijderd, werd het hoofdaltaar aangepast en vooraan gebracht. Het tabernakel werd ingebouwd in de muur. |
De evangelistensymbolen zijn ontleend aan de bijbel : aan het oproepingsvisioen van Ezechiel (1:4-10) en aan de Openbaringen (4:6-8). Beide teksten hebben duidelijk verwantschap met elkaar.
De profeet Ezechiël behoort tot de Joden, die in de Babylonische ballingschap zijn geweest. Hij krijgt zijn roepingvisioen in Babylonië. In deze streken gelden gevleugelde dubbelwezens als uitdrukkingen van goddelijke machten. Vooral als zij worden voorgesteld met een mensenhoofd. In deze omgeving krijgt Ezechiël zijn visioen waarin de vier levende wezens Gods troon dragen : zij vertegenwoordigen de hoogtepunten van de schepping : de leeuw verwijst naar de kracht, de adelaar naar de snelheid, de stier naar de vruchtbaarheid en de mens naar de geest.
Volgens vroeg-christelijke theologen had Ezechiël in zijn visioen de Logos zelf aanschouwd. De wezens hebben vier aangezichten en zijn afbeeldingen van de werking van Gods Zoon : de Leeuw beduidt het sterke, vorstelijke en koninklijke, dat Hem eigen is; de Stier wijst op Zijn priesterdom en op Zijn offer. De Mens herinnert aan Zijn mensheid, de Adelaar in de vlucht aan de genade van de op de Kerk neerdalende Geest.
Houdt men voor ogen dat de vier wezens hier niet de evangelisten maar de operatio van de Godmens verbeelden, dan is hun aanwezigheid rondom Christus, tronend in de zgn. Majestas Domini, volkomen verstaanbaar. Zij symboliseren dus mede de evangeliën als zodanig en dat leidt er weer toe, dat zij uiteindelijk de symbolen van de evangelisten worden.
Dat de vier levende wezens in het Christendom verwijzingen zijn geworden naar de vier evangelisten, vindt zijn grond in de tekst van Openbaringen 5:6. :”Toen zag ik tussen de troon met de vier dieren en de kring van de oudsten een Lam staan ...” Het Lam roept meteen Christus in herinnering. In Openbaringen 4:9 lezen we :”En telkens als de dieren heerlijheid, eer en dank brengen aan Hem die op de troon is gezeten ...” Hier wordt duidelijk gezinspeeld op de heerlijkheid en eer, die de vier levende wezens het Lam zullen brengen. Nu wordt het ook duidelijk hoe men er in het christendom toe is gekomen de vier levende wezens als verwijzingen naar de evangelisten te beschouwen. Door het schrijven van de evangeliën brengen de evangelisten heerlijkheid, eer en dankzegging aan Hem, het Lam.
De indeling, zoals wij die nu kennen, gaat terug op Hieronymus. Hieronymus heeft elke evangelist één van de vier levende wezens toebedeeld op grond van de aard van de inhoud van datgene, wat hij heeft geschreven. Mattheus krijgt de mens als symbool, omdat hij zijn evangelie begint met de menselijke stamboom van Christus. Markus krijgt de leeuw als symbool, omdat hij zijn evangelie begint met de stem van een roepende in de woestijn. Hieronymus verbindt deze roepende stem met de leeuw, die zijn gebrul over de kale vlakten laat horen. Omdat men van de leeuw meent dat hij leeft in de woestijn, is de leeuw in deze context ook een verwijzing naar het leven dat Johannes de Doper heeft geleid. De stier wordt door Hieronymus aan Lukas gekoppeld, omdat diens evangelie begint met het offer van Zacharias. De stier is namelijk het offerdier bij uitstek. Johannes krijgt de adelaar toebedeeld, omdat men lange tijd zijn evangelie als het meest waardevol heeft beschouwd. Daarom ziet men in Johannes dé boodschapper van God. Welk symbool anders dan de lucht doorklievende adelaar verwijst dan beter naar Johannes.Hieronymus was een geleerde die als kluizenaar in Syrië had gewoond, werd in 382 door paus Damasus aangetrokken als adviseur. Enkele jaren later vestigde hij zich te Bethlehem, waar hij zich tot aan zijn dood in 420 bezighield met theologie en bijbelvertalingen. De humanistische theologen zagen in deze onderzoeker en vertaler van de bijbel niet alleen een voorloper, maar beschouwden hem ook als een ruggesteun voor hun eigen kritisch onderzoek van de bijbelteksten. |