Thomas van Aquino werd geboren in 1225 te Roccasecca in Campanië. Reeds op vijfjarige leeftijd werd hij als oblaat toevertrouwd aan de benedictijnen van Montecassino. Later studeerde hij filosofie te Napels. In 1243 trad hij tegen de wil van zijn familie in de orde van St. Dominicus. Hij was in Parijs en Keulen de leerling van Albertus Magnus en doceerde sinds 1252 theologie te Parijs, Rome en Napels. Op weg naar het Concilie van Lyon stierf hij in Fossanova. Hij werd te Toulouse begraven. In 1323 werd hij heilig verklaard, waarna hij in 1567 tot kerkleraar en in 1850 tot patroon van alle katholieke scholen werd verheven.
Hoofdwerken zijn :
- Summa theologiae (met o.m. Aristotelescommentaren – zijn geloofsleer trachtte de christelijke theologie te verzoenen met de opvattingen van Aristoteles)
- Summa contra gentiles (Summa tegen de heidenen).
Thomas van Aquino wordt voorgesteld als Dominicaan met een boek in de hand ( eventueel met pen, ganzenveer).
Gewoonlijk draagt hij een zon, een ster of een schitterende edelsteen op de borst. Dit verwijst naar een visioen van de Dominicaanse lector Albertus Manducasinus van Brescia die de heilige aan de zijde van St. Augustinus zag staan met op de borst een kostbare steen, die de Kerk verlichtte. Deze steen kreeg in de kunst de vorm van een schijf met stralen, die men weldra aanzag voor de zon.
Om zijn habijt draagt hij een gordel – een engel gaf hem een kuisheidsgordel om zijn sexuele gevoelens te onderdrukken.
Andere mogelijke attributen : een duif op de schouders (hij verlichtte de kerk met zijn wijsheid), een monstrans en kelk/hostie (grote verering voor de eucharistie), de mijter, de staf of de kardinaalshoed aan zijn voeten( wijzen erop dat hij alle aangeboden hoge kerkelijke waardigheden weigerde), een lelie.